‘Huh, wonen hier mensen van 80 en 76? Zijn ze dement of zo?’

Dat is de reactie die oma hoopt te horen als mensen haar volgende woning binnenstappen. Na veertig jaar in een huis waar zowel kinderen als kleinkinderen hebben gewoond, heeft oma zin in iets nieuws. Een nieuwe inrichting vooral. ’Modern wil ik het. Hypermodern. Alles van glas. En veel kleur.’ De huidige inboedel mag van oma blijven staan waar ‘ie staat. ‘Die komt de kringloop wel ophalen.’

Oma kijkt rond. ‘Eén ding wil ik wél meenemen.’

Als ik vraag of ze daarmee opa bedoelt, zegt hij: ‘mij laat ze ook door de kringloop ophalen. Als zij me tenminste willen hebben.’

Oma wijst naar een lamp boven de zithoek. ‘Die moet mee. Alleen de stang is nu bruin, dus die zal ik zwart moeten verven. Anders past ‘ie straks niet bij de rest.’ Daarna gaat het over spiegels en fotolijsten en eetkamerstoelen die oma zegt opnieuw te gaan stofferen. ‘Dat komt er op neer dat ik het doe’ zegt opa.

Ik vind het knap. In een huis vol herinneringen alleen het hoognodige meenemen. De verhuizing van mijn studentenkamer naar het appartement van mijn vriend is het best te omschrijven als een traumatische gebeurtenis. Kun je nagaan in wat voor een toestand ik mijn huis zou verlaten na 40 jaar. Wat een tijd. Misschien schuilt daarin ook wel het geheim.

Later begrijp ik misschien dat ‘thuis’ niet zit in een huis. Ook niet in spullen. Thuis zit in de persoon die speciaal voor jou de stoelen in een krankzinnige kleur bekleedt.