Op een dag die zo warm was, dat je de uren het best stilletjes op een stoel kon doorbrengen, wachtend op de schemering, met de armen gespreid en de tong naar buiten, koerste ik door het Oosterpark. Ik gooide mijn fiets tegen het OLVG, spoedde naar binnen, meldde me bij de betreffende afdeling en… mocht terug langs start. De inschrijfbalie.

Veel vaart zat er niet in. De receptionist begon bij iedere nieuwe patiënt te beppen alsof we op een kringverjaardag zaten. Misschien stelde het mensen gerust, maar ik verweet tante Dinie elke minuut die ik later bij de specialist zou verschijnen. Toen was ik aan de beurt.

‘Warm is het hier hé?’ wapperde Dinie, ‘benauwd ook. Je wordt er niet goed van. Ze zouden hier zo’n waaier moeten neerzetten. Nu gebruik ik deze papiertjes. En soms het paspoort van een patiënt. Je moet wel uitkijken bij wie je het doet, de mensen hebben al zo’n kort lontje. Dan zijn ze te laat en worden ze kwaad dat er een rij voor mijn balie staat.'

'Dan zeg ik gewoon; van jouw woede gaat mijn computer echt niet sneller werken. En ik typ er niks vlugger van. Wat je wel kan doen, is eerder komen. Willen ze niet horen, natuurlijk. Want de meeste mensen zijn al niet lekker. Nou ja, da’s nog geen reden om te gaan sikkeneuren.'

'Nou meid, mag je even gaan zitten. Maak ik een foto voor bij je inschrijving. Woon je nog op de Mesdagstraat. Nee? En wie is je huisarts? Van Laatum. Ja, met dubbel a. Ik ken de namen intussen wel.'

'Kijk eens, je bewijsje. Weet je waar je wezen moet? Fijne dag hoor, da-aag.’

En daar, bij de inschrijfbalie van het ziekenhuis, had Dinie me een beter mens gemaakt.